Vervolg­vragen mest­ver­gisting


Indiendatum: dec. 2016

In antwoord op onze vragen van 31 oktober 2016 stelt u dat de mestvergister van maatschap Jorritsma een mestvergister is en geen afvalverwerking. Recentelijk heeft de Raad van State een relevante uitspraak gedaan. Als een agrariër het mestoverschot van zijn bedrijf naar een mestverwerkingsinstallatie brengt, dan moet de desbetreffende dierlijke mest worden aangemerkt als afvalstof. Een mestverwerkingsinstallatie is daarom naar het oordeel van de Raad van State aan te merken als een installatie voor de verwijdering van afval. Dit oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3057).

1. Bent u nog steeds van mening dat de maatschap Jorritsma geen afvalverwerkingsinstallatie is? Zo ja, hoe verhoudt zich dat standpunt dan met de recente uitspraak van de RvS? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in het bestemmingsplan afvalverwerkingsinstallaties zijn toegestaan?

2. Kunt u aangeven of en zo ja onder welke voorwaarden afvalverwerking in de buitengebieden of op locaties nabij woongebieden is toegestaan in de provincie Fryslân?

3. Indien blijkt dat op genoemde locaties geen afvalverwerking is toegestaan, bent u dan bereid actie te ondernemen en bestaande afvalverwerkingsbedrijven die onder de naam mestvergister opereren te sluiten?

4. In haar uitspraak maakt de Raad van State geen onderscheid in monovergisting en covergisting. Er zijn plannen om op redelijk grote schaal in de provincie Fryslân monovergisters te installeren bij melkveehouderijen. Volgens onze informatie kan dit zonder speciale vergunning, omdat ze onder het Activiteitenbesluit zouden vallen. Kunt u aangeven of, gelet op het feit dat mestvergisting juridisch gezien gerekend moet worden tot afvalverwerking, deze activiteit nog steeds valt onder het Activiteitenbesluit?

5. Onafhankelijk van de vraag hoe de vergisters moeten worden geduid, de omwoners hebben er nog steeds last van. Welke acties gaat u ondernemen om a) de overlast voor deze mensen weg te nemen en b) te zorgen dat dergelijke overlast ook op andere locaties niet (meer) zal ontstaan?

Partij voor de Dieren, Rinie van der Zanden

Geachte mevrouw Van der Zanden,

Uw schriftelijke vragen op grond van artikel 39 van het Reglement van Orde, binnengekomen op 30 maart 2017, beantwoorden wij als volgt.

Uw inleidende toelichting
In antwoord op onze vragen van 31 oktober 2016 stelt u dat de mestvergister van maatschap Jorritsma een mestvergister is en geen afvalverwerking. Recentelijk heeft de Raad van State een relevante uitspraak gedaan. Als een agrariër het mestoverschot van zijn bedrijf naar een mestverwerkingsinstallatie brengt, dan moet de desbetreffende dierljke mest worden aangemerkt als afvalstof. Een mestverwerkingsinstallatie is daarom naar het oordeel van de Raad van State aan te merken als een installatie voor de verwijdering van afval. Dit oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3057).

Uw vragen

Vraag 1:
Bent u nog steeds van mening dat de maatschap Jorritsma geen afvalverwerkingsinstallatie is? Zoja, hoe verhoudt zich dat standpunt dan met de recente uitspraak van de RvS? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in het bestemmingsplan afvalverwerkingsinstallaties zijn toegestaan?

Antwoord vraag 1:
Toelichting bedrijf Jorritsma
Jorritsma is een bestaand vleeskuikenbedrijf waar in totaal 417.300 vleeskuikens mogen worden gehouden. Ten behoeve van de vleeskuikenhouderij vindt productie van diervoeder plaats. Daarnaast beschikt de inrichting over een installatie voor het vergisten van mest en co-producten. Een deel van de mest is afkomstig uit het eigen bedrijf. Voor het overige wordt mest van derden aangevoerd. Het gas dat wordt geproduceerd, wordt in warmtekrachtkoppelinginsinstallaties (wkk’s) omgezet in warmte en elektriciteit. De warmte wordt binnen de inrichting toegepast, de opgewekte elektriciteit wordt op het lichtnet gebracht. Het digestaat
dat overblijft na het vergistingsproces wordt verwerkt in een mestdrooginstallatie. Door middel van een bandpers en warmte afkomstig van de wkk’s wordt het dunne digestaat ingedikt. De dunne restfractie wordt opgeslagen in een mestbassin en afgevoerd als meststof. De dikke fractie wordt opgeslagen in containers en afgevoerd als meststof.

Aangehaalde uitspraak Raad van State
In de uitspraak van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3057) komt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) tot de conclusie dat de mest in dat geval een last is waarvan de veehouders zich moeten ontdoen. Om die reden is de mest, die in de mestverwerkings installatie wordt bewerkt en verwerkt, aan te merken is als een afvalstof, waardoor categorie 18.1 van onderdeel D van de bijlage D van de bijlage bij het Besluit mer van toepassing is.

Conclusie
Dat mest een afvalstof is voor het Besluit mer, betekent echter niet dat het ook een afvalstof is zoals bedoeld in Kaderrichtlijn afvalstoffen en hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer.

Nadere toelichting conclusie:
De conclusie die door de Afdeling wordt getrokken, is namelijk gebaseerd op de jurisprudentie die over het begrip ‘afvalstof’ door het Hof van Justitie is gevormd. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de vraag of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval ((arrest van 15juni 2000, ARCO Chemie Nederland en anderen, ECLI:EU:C:2000:31 8, en het arrest van 18 april 2002, Palin Granit, ECLI:EU:C:2002:232)).
Daarnaast volgt uit het arrest van het Hof van 3 oktober 2013, Brady (ECLI:EU:C:2013:627, punten 43,44 en 60), dat in een intensieve veehouderij geproduceerde mest onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een bijproduct in plaats van een afvalstof.
De vraag die niet in de uitspraak van 16 november 2016 aan de Afdeling is voorgelegd, is de vraag of er tevens sprake is van een afvalstof (of afvalverwijdering) als bedoeld in de Kaderrichtlijn afvalstoffen. In het Massafra-arrest van het Europese Hof (HvJEU 23 november 2006, C-486/04, Commissie v. Italië) is uitgemaakt dat het begrip ‘afvalverwijdering’ in de zin van de M.e.r.-richtlijn een autonoom begrip is dat ruim moet worden uitgelegd en dat niet gelijkstaat met het begrip ‘afvalverwijdering in de zin van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. In artikel 2, lid 1 onder f van de Kaderrichtlijn afvalstoffen bepaald
dat de Kaderrichtlijn afvalstoffen niet van toepassing is op dierlijke meststoffen.
Dit betekent dat de mest- en co-vergisters, geen afvalverwerkingsinstallaties zijn als bedoeld in Kaderrichtlijn afvalstoffen en als bedoeld in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer.
Verder is in het bestemmingsplan Buitengebied 2013 van de gemeente Franekeradeel op de locatie een mestvergistingsinstallatie toegestaan, ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering en tot een oppervlakte van 6.500 m2. Dat een mestvergistingsinstallatie aangemerkt wordt als afvalverwerkingsinstallatie in de zin van de M.e.r.-richtlijn, doet aan die planologische mogelijkheid niet af.

Vraag 2:
Kunt u aangeven of en zo ja onder welke voorwaarden afvalverwerking in de buitengebieden of op locaties nabij woongebieden is toegestaan in de provincie Fryslân?

Antwoord vraag 2:
Op grond van de Verordening Romte Fryslân 2014, artikel 6.2.1, lid 1 en 3 is in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied bij agrarische bedrijven onder ander de bedrijfsactiviteiten mestverwerking, mestbewerking en mestvergisting toegestaan. In diverse bestemmingsplannen voor het landelijk gebied in Fryslân zijn, veelal onder voorwaarden, mestverwerkings-, dan wel meer specifiek mestvergistingsinstallaties toegestaan bij agrarische bedrijven. Dat een mestverwerkingsinstallatie aangemerkt wordt als afvalverwerkingsinstallatie voor wat betreft de toetsing aan het M.e.r.-besluit, doet aan die planologische mogelijkheden niet af. Afvalverwerking als bedoeld in de Kaderrichtlijn Afvalstoffen — waar in dit geval geen sprake van is — is niet toegestaan.

Vraag 3:
Indien blijkt dat op genoemde locaties geen afvalverwerking is toegestaan, bent u dan bereid actie te ondernemen en bestaande afvalverwerkingsbedrjven die onder de naam mestvergister opereren te sluiten?


Antwoord vraag 3:
Zoals hiervoor bij vraag 1 is aangegeven, zijn mest- en co-vergisters, geen afvalverwerkingsinstallaties als bedoeld in Kaderrichtlijn afvalstoffen en als bedoeld in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer.

Vraag 4:
In haar uitspraak maakt de Raad van State geen onderscheid in monovergisting en covergisting. Er zijn plannen om op redelijk grote schaal in de provincie Fryslân monovergisters te installeren bij melkveehouderijen. Volgens onze informatie kan dit zonder speciale vergunning, omdat ze onder het Activiteitenbesluit zouden vallen. Kunt u aangeven of, gelet op het feit dat mestvergisting juridisch gezien gerekend moet worden tot afvalverwerking, deze activiteit nog steeds valt onder het Activiteitenbesluit?

Antwoord vraag 4:
Voor monovergisters (van dierlijke mest) met een verwerkingscapaciteit van maximaal 25.000 m3 geldt geen vergunningplicht. Deze activiteiten vallen onder het Activiteitenbesluit. In dit kader is de vraag of dierlijke mest moet worden beschouwd als een afvalstof niet relevant.
Om te mogen starten met deze activiteit heeft een bedrijf nog wel een toestemming nodig van het bevoegd gezag. Deze ‘toestemming vooraf’ heet de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). In de OBM moet worden getoetst of de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de leefomgeving. De uitkomst van deze toets leidt tot het wel of niet verlenen van de OBM.

Vraag 5:
Onafhankelijk van de vraag hoe de vergisters moeten worden geduld, de omwoners hebben er nog steeds last van. Welke acties gaat u ondernemen om a) de overlast voor deze mensen weg te nemen en b) te zorgen dat dergelijke overlast ook op andere locaties niet (meer) zal ontstaan?

Antwoord vraag 5a:
Met ingang van 26 september 2016 is GS het bevoegd gezag geworden voor de inrichting van Jorritsma. Door het college van de gemeente Franekeradeel is op 22 september 2016 een last onder dwangsom opgelegd. Ten aanzien van de overtredingen die onder deze last onder dwangsom ‘vallen’, kan GS niet nogmaals handhavend optreden. Voor wat betreft de overlast die de omwonenden van Jorritsma ondervinden, is er door de omwonenden reeds een verzoek om handhaving ingediend op 3 oktober 2016. In verband met de maatregelen rond de vogelgriep, is het onderzoek naar de geluidklachten van omwonenden nog niet volledig afgerond. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek zal, al dan niet, handhavend opgetreden worden.

Antwoord vraag 5b:
In het algemeen is het voorkomen van overlast erg lastig omdat overlast verschillend wordt ervaren. Daar waar overlast wordt ervaren, is het beleid van GS snel en adequaat te reageren op signalen bij de bedrijven waarvoor GS het bevoegd gezag is. Verder handelen wij verzoeken van burgers zo spoedig mogelijk af en binnen de daarvoor (wettelijk) gestelde termijnen.
Voor wat betreft milieuklachten is de werkwijze dat na het binnenkomen van een klacht, zo mogelijk, een bezoek gebracht wordt aan het bedrijf om ter plaatse vast te stellen of de klacht gegrond is.