Vragen over mest­ver­gister Tzummarum


Indiendatum: nov. 2016

SCHRIFTELIJKE VRAGEN, ex artikel 39 Reglement van Orde,

Gericht aan GS

Inleidende toelichting:

Jorritsma Pluimvee BV aan de Hoarnestreek 10 in Tzummarum heeft, naast vleeskuikens een mestvergistingsinstallatie (co-vergisting waar ook stoffen van buiten het bedrijf worden vergist). Het bedrijf heeft een Nb-vergunning voor 417.300 stuks dieren en een mestvergistingscapaciteit van 30.000 ton. Er zijn uitbreidingsplannen en er is een MER-vergunning aangevraagd. Ons is bekend dat er ook nog eerder plannen waren voor een slachterij.

Omwonenden ervaren al jaren overlast in de vorm van stank, lawaai en grote hoeveelheden (vracht)verkeer. Tot op heden voelen ze zich niet gehoord.

Vragen:

  1. Onze fractie begrijpt dat dit bedrijf en daaraan gelieerde bedrijven verschillende (neven)activiteiten uitvoeren. Niet duidelijk is of hiervoor wel alle benodigde vergunningen aanwezig zijn. Graag ontvangen wij een overzicht van (a) de (huidige en eventuele toekomstige) activiteiten, (b) de daarbij benodigde vergunningen, (c) de daadwerkelijk aanwezige vergunningen, (d) de aangevraagde vergunningen, (e) het tot verlening van deze vergunningen bevoegde gezag en (f) het tot handhaving bevoegde gezag.
  2. Indien uit het overzicht bij de vorige vraag blijkt dat activiteiten niet vergund zijn en u bevoegd bent tot handhaving: welke activiteiten heeft u tot nu toe op dat gebied genomen en welke activiteiten bent u nog voornemens te nemen? Graag één en ander met een toelichting.
  3. Omwonenden van Jorritsma Pluimvee BV hebben de provincie herhaaldelijk om informatie gevraagd over vergunningen. De provincie heeft er lange tijd over gedaan om op deze verzoeken te reageren. Vind u het acceptabel om inwoners van deze provincie die vragen om informatie en om handhaving niet, dan wel laat, te antwoorden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom? Zo nee, waarom geeft u zo laat antwoord?
  4. Wat is de gemiddelde tijd waarbinnen verzoeken van burgers worden afgehandeld en welke informatie over de behandeling van hun verzoek wordt verstrekt?
  5. Klopt onze informatie dat het bedrijf voornemens is om de capaciteit van de mestvergistingsinstallatie te verhogen van 30.000 ton naar 100.000 ton en dat daar een MER-vergunningsaanvraag over loopt?
  6. Kunt u aangeven bij welke vergistingscapaciteit een mestvergister vergunningstechnisch niet langer kan worden gezien als mestvergisting, maar moet worden behandeld als een afvalverwerkingsinstallatie?
  7. Kunt u aangeven of binnen het provinciaal beleid en het gemeentelijk bestemmingsplan afvalverwerking kan worden toegestaan op het perceel Hoarnestreek 10 in Tzummarum?
  8. Pluimveebedrijf Jorritsma zorgt al jaren voor grote overlast bij omwonenden. Desondanks heeft de gemeente steeds meegewerkt aan uitbreidingsverzoeken. Het argument van de gemeente was daarbij steeds dat de uitbreidingen niet zouden zorgen voor verdere toename van de overlast. De praktijk leert volgens omwonenden dat met de uitbreidingen ook de overlast is toegenomen. Kunt u aangeven of de provincie op dit punt een toezichthoudende taak heeft? Zo ja, wat heeft u tot nu toe aan toezichthoudende activiteiten verricht en waarom?
  9. Uit stukken blijkt dat Jorritsma bij herhaling voorwaarden in verleende vergunningen overtreedt. Bent u niet met ons van mening dat alvorens de gemeente of de provincie meewerkt aan verdere uitbreiding eerst de geconstateerde overtredingen moeten worden rechtgezet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunnen wij er dan van uit gaan dat eventuele uitbreidingsaanvragen terzijde worden gelegd?
  10. Bent u op de hoogte van de resultaten van een controleonderzoek van de FUMO en de NVWA eerder dit jaar eerder dit jaar bij Jorritsma BV? Welke conclusies trekt u hier uit? Bent u bereid de resultaten van dit onderzoek te publiceren?

Indiener(s): Partij voor de Dieren, Rinie van der Zanden

Datum: 28 oktober 2016

Geachte mevrouw Van der Zanden,

Uw schriftelijke vragen op grond van artikel 39 van het Reglement van Orde, binnengekomen op 31 oktober 2016, beantwoorden wij als volgt.

Uw inleidende toelichting

Jorritsma Pluimvee V.o.f. aan de Hoarnestreek 10 in Tzummarum heeft, naast vleeskuikens een mestvergistingsinstallatie (co-vergisting waar ook stoffen van buiten het bedrijf worden vergist). Het bedrijf heeft een Nb-vergunning voor 417.300 stuks dieren en een mestvergistingscapaciteit van 30.000 ton. Er zijn uitbreidingsplannen en er is een MER-vergunning aangevraagd. Ons is bekend dat er ook nog eerder plannen waren voor een slachterij.

Omwonenden ervaren al jaren overlast in de vorm van stank, lawaai en grote hoeveelheden (vracht) verkeer. Tot op heden voelen ze zich niet gehoord.

Uw vragen

Vraag 1:

Onze fractie begrijpt dat dit bedrijf en daaraan gelieerde bedrijven verschillende (neven)activiteiten uitvoeren. Niet duidelijk is of hiervoor wel alle benodigde vergunningen aanwezig zijn. Graag ontvangen wij een overzicht van (a) de (huidige en eventuele toekomstige) activiteiten, (b) de daarbij benodigde vergunningen, (c) de daadwerkelijk aanwezige vergunningen, (d) de aangevraagde vergunningen, (e) het tot verlening van deze vergunningen bevoegde gezag en (f) het tot handhaving bevoegde gezag.

Antwoord vraag 1:

Antwoord vraag 1a

Bestaande activiteiten

Jorritsma is een bestaand vleeskuikenbedrijf waar in totaal 417.300 vleeskuikens mogen worden gehouden. Ten behoeve van de vleeskuikenhouderij vindt productie van diervoeder plaats. Daarnaast beschikt de inrichting over een installatie voor het vergisten van mest en co-producten. Een deel van de mest is afkomstig uit het eigen bedrijf. Voor het overige wordt mest van derden aangevoerd. Het gas dat wordt geproduceerd, wordt in warmtekrachtkoppelinginsinstallaties (wkk’s) omgezet in warmte en elektriciteit. De warmte wordt binnen de inrichting toegepast, de opgewekte elektriciteit wordt op het lichtnet gebracht. Het digestaat dat overblijft na het vergistingsproces wordt verwerkt in een mestdrooginstallatie. Doormiddel van een bandpers en warmte afkomstig van de wkk’s wordt het dunne digestaat ingedikt. De dunne restfractie wordt opgeslagen in een mestbassin en afgevoerd als eststof. De dikke fractie wordt opgeslagen in containers en afgevoerd als meststof.

Toekomstige activiteiten

Op 26 september 2016 is door Jorritsma een me.r.-aanmeldingsnotitie ingediend. Met deze notitie wordt door het bedrijf aan het bevoegd gezag het voornemen kenbaar gemaakt de activiteiten binnen de inrichting te wijzigen. Uit deze aanmeldingsnotitie blijkt dat de voorgenomen wijzigingen ten opzichte van de vigerende vergunning(en) bestaan uit het volgende:

De te vergisten hoeveelheid materiaal wordt vergroot, In de vergunde situatie worden 30.000 ton mest en co-producten vergist. Dit wordt in de voorgenomen omvang verhoogd tot:

- 4.000 ton/jaar pluimveemest van eigen bedrijf

- 6.000 ton/jaar pluimveemest van derden

- 80.000 ton/jaar rundveemest van derden

- 10.000 ton/jaar co-producten van derden

De aanwezige vergistingsinstallatie heeft voldoende capaciteit om de voorgenomen toename van te vergisten mest en co-producten te kunnen verwerken. De toename van het geprodu ceerde biogas kan worden verwerkt in de bestaande wkk’s.

Verder is een voorgestelde wijziging om een vacuümdestillatie-unit te realiseren. De dunne fractie die vrijkomt na het indrogen van het digestaat wordt verder ingedikt in deze unit. De dikke fractie die hierbij vrijkomt wordt opgeslagen in een silo en regelmatig afgevoerd. Het afvalwater dat ontstaat wordt deels teruggebracht in het vergistingsproces en deels geloosd op het oppervlaktewater. De bestaande opslagvoorziening (folie-bassin) voor de natte fractie van het digestaat fungeert hierbij als bufferopslag.

Daarnaast is het voornemen om de dunne fractie die vrijkomt na het drogen van het ingedikte digestaat, in een RO-installatie (omgekeerde osmose) te zuiveren. De gezuiverde reststroom wordt op het oppervlaktewater geloosd. De dikke reststroom wordt ingezet voor de productie van mestkorrels elders.

Binnen de inrichting zijn in de bestaande situatie 11 puimveestallen aanwezig. Stal 12 is nog niet gerealiseerd maar wel vergund. De 12 stallen bieden gezamenlijk ruimte voor het houden van in totaal 417.300 vleeskuikens. Het totaal aantal dieren blijft ongewijzigd. Het voornemen ziet op het gewijzigd uitvoeren van stal 12 door het verhogen van het emissiepunt en het vergroten van de uittreesnelheid van de ventilatielucht. Daarnaast wijzigt de uitvoering van de stallen 5 en 8 tot en met 11. In deze stallen worden, in tegenstelling tot de vergunde situatie, geen stuwbakken aan de achterzijde van de stallen gerealiseerd. Ook de uitvoering van de stuwbakken bij de overige stallen wijkt af van de vergunde situatie.

Daarnaast is ter plaatse van de hydrolysekelder een luchtwasser gerealiseerd.

Antwoord vraag 1b

Bij brief F16.303716 van 13 uli 2016 is Jorritsma Beheer B.V. er in het kader van integraal toezicht op gewezen dat het bedrijf momenteel niet beschikt over een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna Nbw). Wij hebben op 22 maart 2016 een op 8 januari 2016 verleende vergunning ingetrokken omdat ons na verlening van de vergunning was gebleken dat de ammoniakemissie van de covergistingsinstallatie ten onrechte niet in de overwegingen zijn betrokken. Op 22juli 2016 is een nieuwe aanvraag ingediend die op 2 september 2016 en op 19 oktober 2016 zijn aangevuld. De aanvraag heeft betrekking op het pluimveebedrijf en de biogasinstallatie, Hoarnestreek 10 en 14 te Tzummarum.

Aanleiding voor deze aanvraag Nwb is thans de aanvraag van een omgevingsvergunning in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna Wabo) voor de voorgenomen uitbreiding van de bestaande co-vergistingsinstallatie voor de productie van biogas uit dierlijke mest en overige biomassa. In beide vergunningprocedures zijn wij het bevoegd gezag. Tevens zijn wij bevoegd ten aanzien van handhaving van Nbw en Wabo.

Voor de toekomstige activiteiten is een omgevingsvergunning voor de aspecten milieu benodigd.

Naast deze vergunning is voor de aangevraagde situatie een vergunning in het kader van de aterwet benodigd. Dit in verband met het lozen van afvalwater op de naastgelegen sloot.

Antwoord vraag 1c

Voor Jorritsma pluimvee zijn de volgende omgevingsvergunningen ten aanzien van het as

pect milieu verleend. Per vergunning is in het kort aangegeven op welke aspecten de vergunning betrekking heeft. Deze opsomming beperkt zich tot de vergunningen in het kader van het aspect milieu. Ten aanzien van de omgevingsvergunningen in het kader van de aspecten bouw en ruimtelijke ordening beschikt Jorritsma voor de aanwezige gebouwen en activiteiten over alle benodigde toestemmingen. Dit wordt door de gemeente Franekeradeel bvestigd.

Revisievergunning Wet milieubeheer (Wm) van 2 mei 2007

het houden van 424.500 vleeskuikens in emissiearme stallen;

het in werking hebben van een mestvergister;

het in werking hebben van een mestvergasser;

het in werking hebben van een eigen mengvoerinstallatie;

het in werking hebben van een houtverbrandingsinstallatie;

het in werking hebben van twee windmolens.

Melding 8.19 Wm van 23 maart 2010

het verplaatsen van een opslagloods met een kelder voor de opslag van digestaat en gehydrolyseerd substraat;

het verplaatsen van de indikker;

het wijzigen van de opstelling van de wkk-installaties.

Omgevingsvergunning van 21 september 2011

Veranderingsvergunning en actualisatie voorschriften;

het verwerken van digestaat uit een vergister;

het plaatsen van windkappen/stuwbakken op bestaande stallen;

het wijziging van een houtkachel;

het verplaatsen van wkk’s en een dieselolietank;

het opslaan van smeerolie en afgewerkte olie ten behoeve van de wkk’s;

het plaatsen van een chemische en biologische luchtwasser.

Omgevingsvergunning van 11 mei 2012

Veranderingsvergunning in verband met de uitbreiding van de mestvergistingsinstallatie met een tweede WKK-installatie.

Van rechtswege verleende milieu neutrale verandering van 25 september 2012

Uitbreiden van de inrichting met een tweede navergister en digestaatopslag

Besluit op het verzoek tot aanpassen van voorschriften van 31 maart 2014

Betreft verzoek aanpassen van de voorschriften voor de luchtwasser ten behoeve van het drogen van mest en het verplaatsen van de opslag van zwavelzuur.

Besluit tot opleggen voorschriften van 5 augustus 2014

Voorschriften naar aanleiding van rechtswege verleende milieuneutrale verandering van 25 september 2012.

Omgevingsvergunning van 10 juni 2014

Veranderingsvergunning voor het afbreken van 2 oude pluimveestallen en het oprichten van één nieuwe pluimveestal.

Antwoord vraag 1d

Op dit moment is nog geen vergunningaanvraag ingediend. Zoals hierboven aangegeven is op 26 september 2016 een m.e.r.-aanmeldingsnotitie ingediend. Op basis van deze aanmeldingsnotitie moeten wij besluiten of al dan niet een MilieuEffectRapport (MER) moet worden opgesteld. Dit besluit moet deel uit maken van de aanvraag omgevingsvergunning die te zijner tijd wordt ingediend.

Antwoord vraag 1e

Ten aanzien van het besluit op de m.e.r. aanmeldingsnotitie, en op de aanvraag omgevingsvergunning die daarop zal volgen, zijn GS bevoegd gezag. Ten aanzien van de Waterwetvergunning is het Wetterskip Fryslân het bevoegd gezag.

Antwoord vraag 1f

Met ingang van 26 september 2016 is GS het bevoegd gezag geworden voor deze inrichting. Hiervan zijn uitgezonderd de lasten onder dwangsom die de gemeente Franekeradeel op 22 september 2016 heeft opgelegd. Deze lasten zijn opgelegd en daarna is het bevoegd gezag gewijzigd. Op grond van artikel 5.2 lid 2 van de Wabo blijft het bevoegd gezag dat een last onder dwangsom heeft opgelegd bevoegd om toe te zien op de naleving van deze last. Concreet betekent dit dat de lasten onder dwangsom die op 22 september 2016 zijn opgelegd, nog onder de bevoegdheid van het college van Franekeradeel vallen. Dit blijft zo totdat de last is uitgevoerd, de dwangsom is ingevorderd of de last is ingetrokken. Met de gemeente Franekeradeel vindt regelmatig overleg plaats om een en ander onderling goed af te stemmen.

Vraag 2:

Indien uit het overzicht bij de vorige vraag blijkt dat activiteiten niet vergund zijn en u bevoegd bent tot handhaving: welke activiteiten heeft u tot nu toe op dat gebied genomen en welke activiteiten bent u nog voornemens te nemen? Graag één en ander met een toelichting.

Antwoord vraag 2:

Zoals hiervoor onder het antwoord 1f te lezen valt, is GS op 26september2016 het bevoegd gezag geworden voor deze inrichting. Daarnaast heeft het college van Franekeradeel recent twee lasten onder dwangsom opgelegd en zijn zij voor deze lasten nog het bevoegd gezag. Door het college van Franekeradeel was aan de FUMO ook opdracht gegeven om onder zoek te doen naar de geluidklachten van omwonenden. Dit onderzoek wordt voorgezet in opdracht van GS, zodat de meetresultaten van voor 26 september 2016 gebruikt kunnen worden in het toezicht traject. Indien voldoende metingen zijn verricht om te spreken over betrouwbare resultaten, zal afhankelijk van de uitkomsten, al dan niet handhavend opgetreden worden.

Vraag 3:

Omwonenden van Jorritsma Pluimvee BV hebben de provincie herhaaldelijk om informatie gevraagd over vergunningen. De provincie heeft er lange tijd over gedaan om op deze verzoeken te reageren. Vindt u het acceptabel om inwoners van deze provincie die vragen om informatie en om handhaving niet, dan wel laat, te antwoorden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom? Zo nee, waarom geeft u zo laat antwoord?

Antwoord vraag 3:

Het beleid van GS is snel en adequaat te reageren op signalen bij de bedrijven waarvoor GS het bevoegd gezag is.

Zoals onder vraag 1a is aangegeven, is op 26 september 2016 een m.e.r.-aanmeldingsnotitie ingediend. Met het indienen van die aanmeldingsnotitie is GS het bevoegd gezag in het kader van de Wabo geworden. Voor zover ons bekend is er vanaf die datum tot op heden geen verzoek om informatie met betrekking tot de Wabo bij ons ingediend.

Ten aanzien van de Nbw hebben wij half juli 2016 voor het eerst contact gezocht met betrekking tot de klachten die er zijn ten aanzien van het bedrijf. Hierop is gelijk gereageerd en actie ondernomen. Dat geldt ook voor het handhavingsverzoek in het kader van de Nbw dat begin 3 oktober 2016 is ingediend. De termijn om op dit verzoek te beslissen loopt nog (zie vraag 4). Daarnaast is er meermalen telefonisch contact geweest met de indiener van het verzoek om handhaving.

Vraag 4:

Wat is de gemiddelde tijd waarbinnen verzoeken van burgers worden afgehandeld en welke informatie over de behandeling van hun verzoek wordt verstrekt?

Antwoord vraag 4:

Wij handelen verzoeken van burgers zo spoedig mogelijk af en binnen de daarvoor (wettelijk) gestelde termijnen. Wij verwijzen in dit verband ook naar ons kwaliteitshandvest: http://www.frvslan.frl/1 3923/kwaliteitshandvest/.

Voor wat betreft milieuklachten is de werkwijze dat na het binnenkomen van een klacht, zo mogelijk, een bezoek gebracht wordt aan het bedrijf in Tzummarum om ter plaatse vast te stellen of de klacht gegrond is.

In enkele gevallen is naar aanleiding van een klacht het bedrijf van Jorritsma bezocht om de oorzaak van de klacht te onderzoeken cq. te achterhalen, waarna de heer Jorritsma in een aantal gevallen maatregelen heeft moeten treffen.

In dit kader dient te worden vermeld dat vanaf april 2016 het bedrijf 28 keer is bezocht (mede) naar aanleiding van klachten. Dit komt bij benadering neer op wekelijks een controle. Deze controles zijn uitgevoerd door de FUMO. Tot 26 september in opdracht van de gemeente Franekeradeel, daarna opdracht van GS.

Vraag 5:

Klopt onze informatie dat het bedrijf vôornemens is om de capaciteit van de mestvergistingsinstallatie te verhogen van 30.000 ton naar 100.000 ton en dat daar een MER vergunningsaanvraag over loopt?

Antwoord vraag 5:

Ja. Zie ook vraag 1a en 1d.

Vraag 6:

Kunt u aangeven bij welke vergistingscapaciteit een mestvergister vergunningstechnisch niet langer kan worden gezien als mestvergisting, maar moet worden behandeld als een afvalverwerkingsinstallatie?

Antwoord vraag 6:

De mest en de co-producten die bij Jorritsma worden vergist, worden volgens wetgeving niet beschouwd als afvalstoffen waarop de afvalstoffenwetgeving van toepassing is. De aanduiding mestvergister of afvalverwerkingsinstallatie is verder niet afhankelijk van de capaciteit van de mestvergistingsinstallatie. Gelet op de vergunde en mogelijk te vergunnen activiteiten van Jorritsma betreft het hier een mestvergister.

Vraag 7:

Kunt u aangeven of binnen het provinciaal beleid en het gemeentelijk bestemmingsplan afvalverwerking kan worden toegestaan op het perceel Hoarnestreek 10 in Tzummarum?

Antwoord vraag 7:

Op het genoemde perceel is geen sprake van afvalverwerking. Zoals hierboven aangegeven is er sprake van een pluimveehouderij met een mestvergistingsinstallatie, mestverwerkingsinstallatie en enkele bijbehorende activiteiten. De activiteiten die plaatsvinden binnen de inrichting, en de voorgenomen veranderingen binnen de inrichting voldoen aan de regels die het van toepassing zijnde bestemmingsplan (Bestemmingsplan buitengebied 2013) daaraan stelt.

Vraag 8:

Pluimveebedrjf Jorritsma zorgt al jaren voor grote overlast bij omwonenden. Desondanks heeft de gemeente steeds meegewerkt aan uitbreidingsverzoeken. Het argument van de gemeente was daarbij steeds dat de uitbreidingen niet zouden zorgen voor verdere toename van de overlast. De praktijk leert volgens omwonenden dat met de uitbreidingen ook de over last is toegenomen. Kunt u aangeven of de provincie op dit punt een toezichthoudende taak heeft? Zo ja, wat heeft u tot nu toe aan toezichthoudende activiteiten verricht en waarom?

Antwoord vraag 8:

Het interbestuurlijk toezicht (IBT) is de wettelijke toezichtstaak die een provincie heeft ten aanzien van de uitvoering van de medebewindstaken door gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen.

De provincie heeft daarbij een rol als tweedelijnstoezichthouder. Dat houdt in dat als alle procedures die er te voeren zijn gevoerd zijn en tot een rechterlijke uitspraak hebben geleid, de provincie dan pas in actie kan komen, als de gemeente zich niet houdt aan de laatste en hoogste uitspraak van de rechter. Daar is op dit moment geen sprake van.

Vraag 9:

Uit stukken blijkt dat Jorritsma bij herhaling voorwaarden in verleende vergunningen overtreedt. Bent u niet met ons van mening dat alvorens de gemeente of de provincie meewerkt aan verdere uitbreiding eerst de geconstateerde overtredingen moeten worden rechtgezet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunnen wij er dan van uit gaan dat eventuele uitbreidingsaanvragen terzijde worden gelegd?

Antwoord vraag 9:

Zoals hiervoor onder vraag 1f is aangegeven, heeft het college van Franekeradeel aan de betrokken inrichting meerdere lasten onder dwangsom opgelegd. Deze overtredingen moeten ongedaan gemaakt worden binnen de begunstigingstermijn die door het college van Franekeradeel is gesteld. Het is aan het college van Franekeradeel om hierop toe te zien. Daarnaast is het zo dat een deel van deze overtredingen gelegaliseerd kunnen worden middels wijziging van de vergunning. Het is de keuze van de inrichtinghouder of hij al dan niet een vergunningaanvraag indient ter legalisering van die specifieke overtredingen. Uiteraard wordt een eventuele aanvraag getoetst aan de wettelijke kaders. Indien de aanvraag voldoet, zal de vergunning verleend worden. Op voorhand kan dus niet gesteld worden dat een uitbreidingsaanvraag terzijde wordt gelegd.

Vraag 10:

Bent u op de hoogte van de resultaten van een controleonderzoek van de FUMO en de NVWA eerder dit jaar eerder dit jaar bij Jorritsma BV? Welke conclusies trekt u hier uit? Bent u bereid de resultaten van dit onderzoek te publiceren?

Antwoord vraag 10:

Wij zijn op de hoogte van de controlebezoeken van de FUMO. Vanaf april 2016 is het bedrijf 28 keer bezocht. De NVWA heeft op 20 april 2016 een controle uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat op basis van de Meststoffenwet de NVWA niet (strafrechtelijk) kan handhaven. Dit omdat Jorritsma over voldoende pluimveerechten beschikt.

Inspectie SZW is op 7 september 2016 bij Jorritsma geweest. Tijdens deze controle is geconstateerd dat Jorritsma bezig is met het aanpakken van de knelpunten die door andere inspectiediensten zijn geconstateerd. Tijdens deze controle is met name gekeken naar beleidsmatige zaken. Daarbij is één overtreding geconstateerd. De risico-inventarisatie en -evaluatie (RIE) is niet aangepast aan de opgedane ervaringen, gewijzigde werkmethode(n), werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening. Voor het opstellen van deze RIE is een termijn gegund van zes maanden.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Fryslân,

voorzitter