Vervolg­vragen over varkensstal Hemelum


Indiendatum: feb. 2019

Eerder hebben de fracties van Partij voor de Dieren en PvdA vragen gesteld over de bouwplannen van de varkenshouderij Hemelumer Hoeve bij Hemelum. De antwoorden op die vragen, evenals de reactie daarop van omwonenden, geeft aanleiding tot onderstaande vervolgvragen.

In uw antwoorden op de vragen van de Partij voor de Dieren van 22 januari 2019 met kenmerk 01623218, geeft u in uw antwoord op vraag 4, kort samengevat, aan dat in het ontwerpbestemmingsplan enkel een klein oppervlakte grond onterecht niet is gerekend tot het bouwperceel, namelijk zo’n 100 m2. In een door de omwonenden toegezonden plattegrond (hierachter bijgevoegd) is echter te zien dat dit niet om 100 m2 zou gaan, maar om tenminste 348 m2. Met het ontbrekende deel van de rondweg wordt het meer dan 1000 m2. Dat scheelt een factor 10. Wat ons betreft is dat een onacceptabele afwijking en zou u daarop actie moeten ondernemen.

  1. 1. Hoe verklaart u dit verschil in m2?
  2. 2. Acht u het aankaarten van dergelijke problemen een taak van omwonenden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom heeft u dit probleem zelf niet geconstateerd en daarop actie ondernomen?
  3. 3. In hoeveel andere dossiers hebben omwonenden u gewezen op afwijkende maten?
  4. 4. Is dit voor u aanleiding om strenger te controleren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
  5. 5. Welke acties gaat u ondernemen, nu u op de hoogte bent van de door de omwonenden geconstateerde overschrijdingen?
  1. 6. Figuur 1 hieronder is de maquette waarmee de Hemelumer Hoeve haar ‘nieuwe plannen’ presenteert. Daarop wordt het bedrijfsterrein getoond met in grijs de verharde gedeelten. In figuur 2 daaronder toont de rode lijn het bouwperceel volgens het bestemmingsplan op ruimtelijke plannen. De verhardingen die niet worden meegerekend zijn blauw gemarkeerd (een deel aan de zuidoostkant is reeds bestaande verharding). Hierdoor is het bouwperceel ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag gekrompen van 2.3 naar 2 ha. Op de tekeningen behorend bij de aanvraag is bovendien te zien dat de inrichtingsgrenzen van het bedrijfsperceel ongewijzigd zijn.

Hoe geloofwaardig is het aan te nemen dat de geplande verhardingen die niet zijn meegerekend in het bestemmingsplan daadwerkelijk onverhard zullen blijven? Is het niet overduidelijk dat deze onmisbaar zijn voor de bedrijfsvoering/brandweer/etc.? Hoe gaat het College erop toezien dat hierop wordt gehandhaafd?

  1. 7. In de plannen is 0,5 hectare gereserveerd voor mestverwerking en voerbereiding. Deze oppervlakte komt nog eens bovenop de oppervlaktes voor de stal, waarmee het bouwperceel nog groter wordt. Dit komt, zo nemen wij aan, door toepassing van de artikelen 6.1.3 lid 1 jo. 6.2.1 lid 1 van de verordening Romte, waarin wordt bepaald dat een extra oppervlakte van 0,5 hectare mogelijk is voor mestverwerking. Uit tekeningen blijkt dat echter maar 0,0351 hectare daadwerkelijk wordt gebruikt voor mestverwerking. Ook het feit dat binnen deze 0,5 hectare niet enkel mestverwerking plaatsvindt maar ook nog voerbereiding en het daarnaast de bestemming intensieve veehouderij heeft, geeft aan dat deze 0,5 hectare voor meer dan enkel mestverwerking zal worden gebruikt. Dat terwijl deze extra oppervlakte volgens de verordening Romte enkel toegestaan kan worden voor mestverwerking (en overige activiteiten waar, voor zover ons bekend, geen sprake van zal zijn).

Waarom wordt 0,5 hectare bouwperceel meer toegekend op basis van mestverwerking, terwijl daar maar 0,0351 hectare voor nodig is?


Geachte dames Van der Zanden, Janssen, Frehner en heren Schukking, Van der Hoek en Nicolai,

Uw schriftelijke vragen op grond van artikel 41 van het Reglement van Orde, binnengekomen op 22 februari 2019, beantwoorden wij als volgt.

Uw inleiding:

Eerder hebben de fracties van Partij voor de Dieren en PvdA vragen gesteld over de bouwplannen van de varkenshouderij Hemelumer Hoeve bij Hemelum. De antwoorden op die vragen, evenals de reactie daarop van omwonenden, geeft aanleiding tot onderstaande vervolgvragen.

Uw vragen: In uw antwoorden op de vragen van de Partij voor de Dieren van 22januari 2019 met kenmerk 01623218, geeft u in uw antwoord op vraag 4, kort samengevat, aan dat in het ontwerpbestemmingsplan enkel een klein oppervlakte grond onterecht niet is gerekend tot het bouwperceel, namelijk zo'n 100 m2. In een door de omwonenden toegezonden plattegrond (hierachter bijgevoegd) is echter te zien dat dit niet om 100 m2 zou gaan, maar om tenminste 348 m2. Met het ontbrekende deel van de rondweg wordt het meer dan 1000 m2. Dat scheelt een factor 10. Wat ons betreft is dat een onacceptabele afwijking en zou u daarop actie moeten ondernemen.

Antwoord,

vooraf Alvorens meer specifiek in te gaan op uw vragen 1 t/m 7 merken wij het volgende op.

a. Sinds 2008 hebben wij op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) niet meer de bevoegdheid en verplichting tot het goedkeuren van bestemmingsplannen. Daarin ligt besloten dat ons college ook geen bevoegdheid meer heeft inzake de beoordeling van bedenkingen van burgers. Burgers met bezwaren moeten zich wenden tot de gemeente en eventueel nadien tot de Raad van State. De gemeente is er zelf toe gehouden om bestemmingsplannen af te stemmen op de provinciale belangen zoals neergelegd in de Verordening Romte 2014. Onze betrokkenheid beperkt zich er op grond van de Wro toe dat wij beoordelen, met een tussen overheden gepaste mate van vertrouwen en terughoudendheid, of een gemeentelijk bestemmingsplan in strijd is met provinciale belangen. Wij interveniëren alleen met een zienswijze indien sprake is van (mogelijk) evidente en significante strijdigheid.

b. In eerdere beantwoording van statenvragen over dit onderwerp (9 oktober 2017, nr. 1449981; 17 oktober 2017 nr. 1453463) hebben wij eraan gerefereerd dat het bestemmingsplan moet passen binnen artikel 6.1.3 van de Verordening Romte. Dat artikel biedt ruimte voor een basisbouwperceel van 1,5 ha art. (op grond van 6.1.3, eerste lid), eventueel aan te vullen tot 2 ha als bepaalde activiteiten plaatsvinden (cf. art. 6.2.1). Bovendien mag, gemotiveerd, sprake zijn van een beperkte overschrijding van die 1,5 respectievelijk 2 ha (op grond van artikel 6.1.3, tweede lid), om reden van dierenwelzijn, gezondheid en innovatieve bedrijfsvoering.

Ten aanzien van het voorontwerp- en ontwerpbestemmingsplan hebben wij geoordeeld dat het plan voldoet aan de bepalingen van artikel 6.1.3. als geheel. Daarom hebben wij geen zienswijze ingediend tegen het ontwerpplan.

c. Enkele van uw vragen hebben in feite betrekking op uw twijfel over het handhaven van de regels die het bestemmingsplan gaat stellen. Wij merken op dat de gemeente als bevoegd gezag verantwoordelijk is voor de handhaving van de te verlenen vergunning en van het bestemmingsplan. Wij gaan er vanuit dat de gemeente die taak professioneel uitvoert.

Vraag 1: Hoe verklaart u dit verschil in m2?

Antwoord vraag 1: Wij hebben een vlakverschil ter grootte van ca 100m2 (berekening omwonenden: 91m2) geconstateerd. Een tweede vlak van 83m2 ligt in het voorterrein van de boerderij, dat niet bebouwd kan worden en niet primair ten dienste staat van de bedrijfsactiviteiten zelf. Dat deel wordt in de Friese gemeentelijke bestemmingsplannen veelal niet aan het bouwperceel toegedeeld. Een derde vlak van 174m2 betreft kennelijk een strook groen die door de gemeente buiten het te bebouwen en verharden perceel wordt gelaten. Die keuze is aan de gemeente en niet op voorhand strijdig met de (begripsbepaling in) de verordening. Wij gaan ten aanzien van een volgens u ontbrekend stuk van de 'rondweg' uit van de door de gemeente aangeleverde verantwoording van de bedrijfsvoering en -logistiek.

Vraag 2: Acht u het aankaarten van dergelijke problemen een taak van omwonenden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom heeft u dit probleem zelf niet geconstateerd en daarop actie ondernomen?

Antwoord vraag 2: Ja, uit het wettelijk stelsel vloeit voort, zie Vooraf, ad a, dat burgers zich tot de gemeente en eventueel de rechter wenden met bezwaren. Wij zien de benoemde, veronderstelde afwijkingen, zie ad 1, niet als een probleem. In uw vraagstelling ligt besloten dat volgens u sprake zou zijn van een (mogelijke) overschrijding van de basismaat van het bouwperceel van 1,5 ha, respectievelijk 2 ha, met 1.027m2, door het niet meerekenen van enkele nu al verharde of in de toekomst eventueel te verharden gronden. Wij herhalen, zie Vooraf, ad b, dat een beperkte overschrijding van de basismaten, op grond van artikel 6.1.3, tweede lid, mogelijk is. In genoemde beantwoording van statenvragen hebben wij opgemerkt dat een bouwperceel van 2,35 ha op zich denkbaar is, mits gemotiveerd. De nu door omwonenden en in uw vragen veronderstelde overschrijdingen met 1.027m2 zouden, indien alle mee opgenomen in het bouwperceel (i.c. het functietoedelingsvlak), tot een nog steeds aanvaardbare perceelmaat leiden. Wij mogen er vanuit gaan dat de gemeente een en ander nader motiveert in reactie op eventuele daarover ingediende zienswijzen.

Vraag 3: In hoeveel andere dossiers hebben omwonenden u gewezen op afwijkende maten?

Antwoord vraag 3: Wij houden geen registratie bij met/van dat soort dossiers. Burgers wenden zich gebruikelijk tot de gemeente.

Vraag 4: Is dit voor u aanleiding om strenger te controleren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 4: Nee. Zie Vooraf, ad a.

Vraag 5: Welke acties gaat u ondernemen, nu u op de hoogte bent van de door de omwonenden geconstateerde overschrijdingen?

Antwoord vraag 5: Wij zien geen aanleiding voor 'acties', zie antwoord ad 1 en 2. Tegen het ontwerpplan hebben wij geen zienswijze ingediend. De besluitvorming inzake vaststelling van het plan ligt bij de gemeenteraad die zich moet uitspreken over eventueel ingediende zienswijzen.

Vraag 6:

Figuur 1 hieronder is de maquette waarmee de Hemelumer Hoeve haar 'nieuwe plannen' presenteert. Daarop wordt het bedrijfsterrein getoond met in grijs de verharde gedeelten. In figuur 2 daaronder toont de rode lijn het bouwperceel volgens het bestemmingsplan op ruimtelijke plannen. De verhardingen die niet worden meegerekend zijn blauw gemarkeerd (een deel aan de zuidoostkant is reeds bestaande verharding). Hierdoor is het bouwperceel ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag gekrompen van 2.3 naar 2 ha. Op de tekeningen behorend bij de aanvraag is bovendien te zien dat de inrichtingsgrenzen van het bedrijfsperceel ongewijzigd zijn. Hoe geloofwaardig is het aan te nemen dat de geplande verhardingen die niet zijn meegerekend in het bestemmingsplan daadwerkelijk onverhard zullen blijven? Is het niet overduidelijk dat deze onmisbaar zijn voor de bedrijfsvoering/brandweer/etc.? Hoe gaat het College erop toezien dat hierop wordt gehandhaafd?

Antwoord vraag 6: Wij gaan uit van de gemeentelijke informatie met betrekking tot de beoogde bedrijfsvoering en -logistiek. Zie verder het antwoord op vraag 2. Zoals gezegd is de gemeente als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de handhaving

Vraag 7: In de plannen is 0,5 hectare gereserveerd voor mestverwerking en voerbereiding. Deze oppervlakte komt nog eens bovenop de oppervlaktes voor de stal, waarmee het bouwperceel nog groter wordt. Dit komt, zo nemen wij aan, door toepassing van de artikelen 6.1.3 lid 1jo. 6.2.1 lid 1 van de verordening Romte, waarin wordt bepaald dat een extra oppervlakte van 0,5 hectare mogelijk is voor mestverwerking. Uit tekeningen blijkt dat echter maar 0,0351 hectare daadwerkelijk wordt gebruikt voor mestverwerking. Ook het feit dat binnen deze 0,5 hectare niet enkel mestverwerking plaatsvindt maar ook nog voerbereiding en het daarnaast de bestemming intensieve veehouderij heeft, geeft aan dat deze 0,5 hectare voor meer dan enkel mestverwerking zal worden gebruikt. Dat terwijl deze extra oppervlakte volgens de verordening Romte enkel toegestaan kan worden voor mestverwerking (en overige activiteiten waar, voor zover ons bekend, geen sprake van zal zijn).

Waarom wordt 0,5 hectare bouwperceel meer toegekend op basis van mestverwerking, terwijl daar maar 0,0351 hectare voor nodig is?

Antwoord vraag 7: Gemeente en initiatiefnemer hebben kennelijk geoordeeld dat naast het vlak waar zich de stallen gaan bevinden een vlak van 0,5 ha nodig is ten behoeve van specifieke activiteiten. De verordening biedt daarvoor de ruimte. De door u genoemde maat van 0,0351 ha kunnen wij niet reconstrueren. De bouw- en gebruiksmogelijkheden in dat deelvlak zijn ons inziens passend binnen de reikwijdte van artikel 6.2.1, eerste lid, als daar benoemde of naar aard vergelijkbare activiteiten. Voor zover het vlak van 0,5 ha daartoe niet wordt gebruikt laat het plan niet toe dat er extra stalruimte wordt gebouwd. De regeling strijdt niet met artikel 6.1.3.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Fryslân