Vervolg­vragen over varkensstal Hemelum


Eerder hebben de fracties van Partij voor de Dieren en PvdA vragen gesteld over de bouwplannen van de varkenshouderij Hemelumer Hoeve bij Hemelum. De antwoorden op die vragen, evenals de reactie daarop van omwonenden, geeft aanleiding tot onderstaande vervolgvragen.

In uw antwoorden op de vragen van de Partij voor de Dieren van 22 januari 2019 met kenmerk 01623218, geeft u in uw antwoord op vraag 4, kort samengevat, aan dat in het ontwerpbestemmingsplan enkel een klein oppervlakte grond onterecht niet is gerekend tot het bouwperceel, namelijk zo’n 100 m2. In een door de omwonenden toegezonden plattegrond (hierachter bijgevoegd) is echter te zien dat dit niet om 100 m2 zou gaan, maar om tenminste 348 m2. Met het ontbrekende deel van de rondweg wordt het meer dan 1000 m2. Dat scheelt een factor 10. Wat ons betreft is dat een onacceptabele afwijking en zou u daarop actie moeten ondernemen.

  1. 1. Hoe verklaart u dit verschil in m2?
  2. 2. Acht u het aankaarten van dergelijke problemen een taak van omwonenden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom heeft u dit probleem zelf niet geconstateerd en daarop actie ondernomen?
  3. 3. In hoeveel andere dossiers hebben omwonenden u gewezen op afwijkende maten?
  4. 4. Is dit voor u aanleiding om strenger te controleren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
  5. 5. Welke acties gaat u ondernemen, nu u op de hoogte bent van de door de omwonenden geconstateerde overschrijdingen?
  1. 6. Figuur 1 hieronder is de maquette waarmee de Hemelumer Hoeve haar ‘nieuwe plannen’ presenteert. Daarop wordt het bedrijfsterrein getoond met in grijs de verharde gedeelten. In figuur 2 daaronder toont de rode lijn het bouwperceel volgens het bestemmingsplan op ruimtelijke plannen. De verhardingen die niet worden meegerekend zijn blauw gemarkeerd (een deel aan de zuidoostkant is reeds bestaande verharding). Hierdoor is het bouwperceel ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag gekrompen van 2.3 naar 2 ha. Op de tekeningen behorend bij de aanvraag is bovendien te zien dat de inrichtingsgrenzen van het bedrijfsperceel ongewijzigd zijn.

Hoe geloofwaardig is het aan te nemen dat de geplande verhardingen die niet zijn meegerekend in het bestemmingsplan daadwerkelijk onverhard zullen blijven? Is het niet overduidelijk dat deze onmisbaar zijn voor de bedrijfsvoering/brandweer/etc.? Hoe gaat het College erop toezien dat hierop wordt gehandhaafd?

  1. 7. In de plannen is 0,5 hectare gereserveerd voor mestverwerking en voerbereiding. Deze oppervlakte komt nog eens bovenop de oppervlaktes voor de stal, waarmee het bouwperceel nog groter wordt. Dit komt, zo nemen wij aan, door toepassing van de artikelen 6.1.3 lid 1 jo. 6.2.1 lid 1 van de verordening Romte, waarin wordt bepaald dat een extra oppervlakte van 0,5 hectare mogelijk is voor mestverwerking. Uit tekeningen blijkt dat echter maar 0,0351 hectare daadwerkelijk wordt gebruikt voor mestverwerking. Ook het feit dat binnen deze 0,5 hectare niet enkel mestverwerking plaatsvindt maar ook nog voerbereiding en het daarnaast de bestemming intensieve veehouderij heeft, geeft aan dat deze 0,5 hectare voor meer dan enkel mestverwerking zal worden gebruikt. Dat terwijl deze extra oppervlakte volgens de verordening Romte enkel toegestaan kan worden voor mestverwerking (en overige activiteiten waar, voor zover ons bekend, geen sprake van zal zijn).

Waarom wordt 0,5 hectare bouwperceel meer toegekend op basis van mestverwerking, terwijl daar maar 0,0351 hectare voor nodig is?