Vragen over mest­fraude in Fryslân


De NRC onthulde onlangs een grootschalige fraude met mest in onder andere Oost Brabant en Noord Limburg (NRC 12 en 13 november). Eerder dit jaar bleek dat tientallen Friese boeren worden verdacht van mestfraude (Boerderij, 2 maart 2017). Verder blijkt uit berichtgeving dat een mestverwerkingsbedrijf in Wouterswoude regelmatig in de fout gaat. Hetzelfde geldt voor een mestvergister in Tirns, waar men zich niet aan de regels houdt. Bij mestfraude gaat het er meestal om dat er teveel mest op bepaalde stukken land wordt gebracht. Dit zorgt voor ernstige bodemverontreiniging en is dus een bedreiging voor het milieu.

  1. De bescherming van het milieu is een kerntaak van de provincie. Hoe monitort de provincie het gebruik van potentieel schadelijke stoffen zoals mest?
  2. Kunt u aangeven wat de resultaten van deze monitoring zijn? En zo nee, waarom niet?
  3. Welke stappen heeft het college genomen na de eerdere berichtgeving in onder andere de Boerderij en de Leeuwarder Courant over de mestfraude in Fryslân?
  4. Is daarmee gegarandeerd dat de desbetreffende bedrijven niet opnieuw in de fout zullen gaan? Zo niet, acht u uw optreden dan wel voldoende? Graag een toelichting.
  5. De zorg voor het milieu is een kerntaak van de Provincie. Maar de vergunningverlening voor veehouderijen, alsmede controle en handhaving liggen bij de gemeente of de NVWA. Is er enige vorm van overleg met de gemeenten of de NVWA over een handhavings- en controleactiviteit? Zo ja, kunt u ons daarover rapporteren? Zo nee, waarom niet?
  6. Bent u op de hoogte van de manier waarop andere Provincies hun kerntaak in relatie tot de mestfraude en de zorg voor het milieu hebben georganiseerd? En in hoeverre wijkt dit af van de manier waarop dit in Fryslân gebeurt?
  7. Stuurt de Provincie op enige manier, bijvoorbeeld via de FUMO, op controle en handhaving bij mestfraude in de breedste zin van het woord (boeren, mestverwerkers, mestvergisters)? Zo ja, kunt u ons daarover rapporteren? Zo nee, waarom niet?
  8. Volgens onze informatie heeft het mestverwerkingsbedrijf in Wouterswoude een vergunning gekregen voor zijn activiteiten van de Provincie. Afgelopen twee jaar is het bedrijf 31 keer betrapt op overtredingen en in 14 van die gevallen vond de NVWA ze zo ernstig dat er een boete volgde. Welke mogelijkheden heeft de Provincie als vergunningverlener om hier corrigerend op te treden, bijvoorbeeld via dwangsommen of intrekking van de vergunning? Als u deze mogelijkheden heeft, waarom gebruikt u ze dan niet?
  9. De nieuwe Landelijk voorzitter van de LTO, M. Calon, heeft bij zijn aantreden gezegd dat boeren die de regels overtreden het imago van de sector ernstig schaden en streng moeten worden aangepakt. Hij refereerde in dit verband aan rotte appels die uit de mand verwijderd zouden moeten worden. Heeft u naar aanleiding van de berichten over frauderende melkveehouders in Fryslân en boeren met mestvergisters die de regelgeving negeren een gesprek met de heer Calon gehad? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dit gesprek?
  10. Welke mogelijkheden ziet u voor de provincie om de controle en handhaving op het gebied van mest zodanig te intensiveren dat de pakkans stijgt?

Uw schriftelijke vragen op grond van artikel 41 van het Reglement van Orde, binnengekomen op 17 november 2017, beantwoorden wij als volgt.

lnleiding

De NRC onthulde onlangs een grootschalige fraude met mest in onder andere Oost Brabant en Noord Limburg (NRC 12 en 13 november). Eerder dit jaar bleek dat tientallen Friese boeren worden verdacht van mestfraude (Boerderij, 2 mart 2017). Verder blijkt uit berichtgeving dat een mestverwerkingsbedrijf in Wouterswoude regelmatig in de fout gaat. Hetzelfde geldt voor een mestvergister in Tirns, waar men zich niet aan de regels houdt. Bij mestfraude gaat het er meestal om dat er teveel mest op bepaalde stukken land wordt gebracht. Dit zorgt voor ernstige bodemverontreiniging en is dus een bedreiging voor het milieu.

Vraag 1:

De bescherming van het milieu is een kemtaak van de provincie. Hoe monitort de provincie het gebruik van potentieel schadelijke stoffen zoals mest?

Antwoord vraag 1:

De afgelopen jaren is het milieubeleid aan de hand van twee sporen uitgewerkt. Spoor 1 met de titel slim milieubeheer en spoor 2 met de titel samen bouwen aan een schone, eerlijke en gezonde samenleving. Spoor 1 bevat de wettelijke milieutaken. Met de uitwerking van dit spoor willen we bereiken dat het fysieke leefmilieu in Fryslan voldoet aan alle geldende wettelijke normen. Sommige wettelijke normen zijn uitgewerkt in bestuurlijke afspraken. Deze afspraken komen we na. De nadruk in dit spoor ligt op vergunningverlening, toezicht en handhaving.

De bestaande milieuknelpunten moeten worden teruggebracht en tegelijkertijd moet worden voorkomen dat nieuwe knelpunten ontstaan. De uitvoering van de wettelijke taken ligt primair bij de FUMO. Uit de monitoringsrapportage Frysk Miljeuprogramma 2015-2016 blijkt dat het aantal knelpunten de afgelopen periode weer verder teruggebracht is. Mest is niet opgenomen als een van deze knelpunten.

Specifiek ten aanzien van potentieel schadelijke stoffen zoals mest is de provinciale rol ten aanzien van waterbeheer van belang. In het kader van de provinciale taak voor het grondwater monitort de provincie de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater. Wetterskip Fryslan monitort de kwaliteit van het oppervlaktewater.

De verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de mestwetgeving ligt niet bij de provincie maar bij de NVWA. De provincie Fryslan (en ook Wetterskip Fryslan) hebben daar geen monitoringsprogramma voor.

Vraag 2:

Kunt u aangeven wat de resultaten van deze monitoring zijn? En zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 2:

Ja.

De resultaten van de monitoring aan het grondwater zijn verwerkt in het Rapport Grondwaterkwaliteit 2015 Fryslan dat in december 2016 aangeboden is aan Provinciale Staten. Belangrijke conclusie in het rapport is: 'Bij de toetsing aan de KRW (Kaderrichtlijn Water) - normen blijkt dat de grondwaterlichamen —voor zover gelegen in Fryslan — ,ondanks het aantreffen van diverse verontreinigingen, in "goede chemische toestand" zijn. De KRWdrempelwaarden worden in 2015 in totaal "slechts" 18x (15%) overschreden (Chloride 9x, Arceen lx, Ptot 3x, bestrijdingsmiddelen 4x, som bestrijdingsmiddelen lx).

De resultaten van de monitoring aan het oppervlaktewater zijn verwerkt in de in 2015 verschenen 'Tussenbalans waterplannen'. Belangrijke conclusie in de Tussenbalans is: `Zowel ten aanzien van de ecologische als chemische kwaliteit wordt nog niet aan alle normen voldaan. Diverse maatregelen zijn al wel uitgevoerd door waterschap en provincie, maar hebben niet altijd een meetbaar effect. Voor ecologisch en chemisch herstel is meer tijd nodig. Andere factoren zoals de landelijke wetgeving ten aanzien van mest, zware metalen en gewasbeschermingsmiddelen zijn ook bepalend voor de waterkwaliteit'.

Vraag 3:

Welke stappen heeft het college genomen na de eerdere berichtgeving in onder andere de Boerderij en de Leeuwarder Courant over de mestfraude in Fryslan?

Antwoord vraag 3:

De naleving van de Meststoffenwet is de verantwoordelijkheid van het Rijk. Wij hebben daardoor geen zicht op handhavingstrajecten, die in dit kader lopen. De provincie is op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) wel in een aantal gevallen het bevoegd gezag voor de vergunningverlening en het toezicht op mestverwerkingsinstallaties. De provincie ziet daarbij met name toe op de milieurisico's van de installatie en nemen daarvoor voorschriften op in de vergunning. Via toezicht en handhaving zien we toe op een naleving van de voorschriften en de juiste werking van de installatie.

Bij vergunningaanvragen voor (nieuwe) afvalverwerkers, waaronder ook co-vergistingsinstallaties, voeren wij een Bibob-onderzoek uit. Met de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) wil de overheid voorkomen dat een bepaalde vergunning die zij afgeeft wordt misbruikt voor criminele activiteiten. Uit de door ons uitgevoerde onderzoeken zijn bij de betreffende inrichtingen tot nu toe geen bijzonderheden naar voren gekomen.

Vraag 4:

Is daarmee gegarandeerd dat de desbetreffende bedrijven niet opnieuw in de fout zullen gaan? Zo niet, acht u uw optreden dan wel voldoende? Graag een toelichting.

Antwoord vraag 4:

Ja, wij achten ons optreden voldoende. Zie de beantwoording bij vraag 3. De provincie heeft geen rol bij controle en handhaving op naleving van de Meststoffenwet. De taken die vallen binnen de bevoegdheden van de provincie worden adequaat uitgevoerd.

Vraag 5:

De zorg voor het milieu is een kerntaak van de Provincie. Maar de vergunningverlening voor veehouderijen, alsmede controle en handhaving liggen bij de gemeente of de NVWA. Is er enige vorm van overleg met de gemeenten of de NVWA over een handhavings-en controleactiviteit? Zoja, kunt u ons daarover rapporteren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 5:

Ja.

Voor de inrichtingen waar de provincie het WABO bevoegd gezag is, is de vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) uitbesteed aan de FUMO. De FUMO voert reguliere controles uit en hand haaft daar waar nodig. Zij hebben eveneens een oor- en oogfunctie voor de handhavingspartners (NVWA, ILT, Politie). Met deze handhavingspartners wordt in het kader van ketentoezicht ook samengewerkt.

Voor de inrichtingen waar de gemeente het WABO bevoegd gezag is heeft de provincie geen wettelijke rol.

De provincie zal genoemde problematiek wel aan de orde stellen in het provinciale VTHoverleg, waaraan alle WABO bevoegde gezagen uit Fryslan aan deelnemen. Ook in IPOverband — in de Bestuurlijke Adviescommissie VTH - is het onderwerp onder de aandacht.

Vraag 6:

Bent u op de hoogte van de manier waarop andere Provincies hun kerntaak in relatie tot de mestfraude en de zorg voor het milieu hebben georganiseerd? En in hoeverre wijkt dit af van de manier waarop dit in FrysIan gebeurt?

Antwoord vraag 6:

Nee.

VVij hebben dat niet voor alle provincies in beeld, nnaar voor zover we daar wel informatie over hebben sluit dit aan bij het antwoord op vraag 3.

Vraag 7:

Stuurt de Provincie op enige manier, bijvoorbeeld via de FUMO, op controle en handhaving bij mestfraude in de breedste zin van het woord (boeren, mestverwerkers, mestvergisters)? Zoja, kunt u ons daarover rapporteren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 7:

Zie de beantwoording bij de vragen 3, 4 en 5.

Vraag 8:

Volgens onze informatie heeft het mestverwerkingsbedrijf in Wouterswoude een vergunning gekregen voor zijn act iviteiten van de Provincie. Afgelopen twee jaar is het bedrijf 31 keer betrapt op overtredingen en in 14 van die gevallen vond de NVWA ze zo ernstig dat er een boete volgde. Welke mogelijkheden heeft de Provincie als vergunningverlener om hier corrigerend op te treden, bijvoorbeeld via dwangsommen of intrekking van de vergunning? Als u deze mogelijkheden heeft, waarom gebruikt u ze dan niet?

Antwoord vraag 8:

Geen.

De overtredingen zijn door het NVWNA geconstateerd en vallen binnen hun bevoegdheden en niet binnen de bevoegdheden, die de provincie op basis van de WABO en het Activiteitenbesluit bij deze inrichtingen heeft.

Vraag 9:

De nieuwe Landelijk voorzitter van de LTO, M. Calon, heeft bij zijn aantreden gezegd dat boeren die de regels overtreden het imago van de sector emstig schaden en streng moeten worden aangepakt. Hij refereerde in dit verband aan rotte appels die uit de mand verwijderd zouden moeten worden. Heeft u naar aanleiding van de berichten over frauderende melkveehouders in Fryslan en boeren met mestvergisters die de regelgeving negeren een gesprek met de beer Calon gehad? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dit gesprek?

Antwoord vraag 9:

Zoals bekend legt het ministerie van LNV de schuld voor overtreding van de Meststoffenwet nadrukkelijk bij de fraudeurs. In het gesprek dat de minister 13 november jl. met veehouders, mesttransporteurs en andere betrokken partijen heeft gehad, eist zij van deze partijen om uiterlijk half december met een plan te komen om de misstanden in de mestsector aan te pakken. Wij zullen hierover contact houden met het Ministerie.

De Minister heeft de Tweede Kamer bij brief van 14 november jl. een eerste reactie gegeven op de berichten. Op 16 november is er nog een aanvullende brief met nadere informatie naar de Kamer gegaan.

Naar aanleiding van de eerder dit jaar geconstateerde verdenkingen is geen contact geweest met de heer Calon. Wel is hierover gesproken met LTO-Noord. Omdat er sprake is van individuele gevallen waar strafrechterlijk onderzoek plaatsvindt kan hier niet nader op in worden gegaan.

Vraag 10:

Welke mogelijkheden ziet u voor de provincie om de controle en handhaving op het gebied van mest zodanig te intensiveren dat de pakkans stijgt?

Antwoord vraag 10:

Geen.

Zie de beantwoording bij vraag 3.