Vragen over zwanen­jacht


Indiendatum: mrt. 2016

In Fryslân is een ontheffing verleend, op grond waarvan afschot van zwanen mogelijk is. Recent is landelijk ophef ontstaan over de jacht op zwanen in het Groene Hart. Dit was onder meer naar aanleiding van een uitzending van Een Vandaag op 24 februari jl., waarin was te zien dat de dieren, nadat ze geschoten waren, nog langere tijd in leven waren. De desbetreffende jagers lieten hun hond de zwanen aanvallen en over de grond slepen. Naar verluidt ging dit ook gepaard met het breken van botten en worden de dieren soms ook met gebroken vleugels achtergelaten, of aan hun nek doodgeslingerd. Inmiddels is de politie een onderzoek gestart.

  1. Is er in Fryslân, voor zover ook bekend, sprake van dergelijke misstanden? Zo ja, welke maatregelen worden hiertegen genomen? Zo nee, hoe controleert u dit?
  2. Zijn rapporten beschikbaar van controles? Zo ja, dan zou onze fractie hier graag een afschrift van ontvangen. Zo nee, waarom niet?
  3. Hoe vaak wordt gecontroleerd op naleving van regels op het gebied van dierenwelzijn bij deze verjagingsacties? Welk percentage van de verjagingsacties vindt hierdoor onder (gedeeltelijk) toezicht plaats?
  4. Deelt u de mening dat het bejagen van dieren met hagelpatronen voor veel dierenleed zorgt, omdat hagelpatronen honderden metaaldelen bevatten die op dieren in volle beweging worden afgevuurd met als resultaat dat een groot aantal dieren wordt aangeschoten, om vervolgens een pijnlijke dood te sterven?
  5. Deelt u de mening dat dit vooral het geval is bij dieren zoals knobbelzwanen, die te groot zijn om door hagel dodelijk geraakt te worden? Zo nee, waarom niet?
  6. Bent u bereid om het doden van dieren met hagelpatronen niet langer toe te staan? Zo nee, waarom niet?
  7. Zwanen zijn tamelijk grote dieren die, naar verwachting, nadat ze uit de lucht zijn geschoten, niet direct dood zijn. Hoe worden in Fryslân dieren die niet direct dood zijn, alsnog gedood?
  8. Welk percentage van de dieren die worden aangeschoten, is na de verjagingsactie nog in leven?
  9. In de ontheffing spreekt u van “verjagingsactie”. Kunt u aangeven wanneer volgens u de ene verjagingsactie eindigt en de volgende begint?
  10. In de ontheffing wordt gesproken over eerder genomen preventieve maatregelen. Kunt u aangeven welke maatregelen dat zijn, waar en hoe deze zijn getroffen en waarom deze naar uw mening niet afdoende werkten?
  11. Is er, voor het verlenen van de ontheffing, ook gebruik gemaakt van deze, of andere, alternatieve verjaagmethoden? Zo nee, waarom heeft u dan toch ontheffing verleend? Zo ja, kunt u daar dan een toelichting op geven en wat zijn daarvan de resultaten?
  12. Houdt u actief bij wat de jongste ontwikkelingen zijn op het gebied van verjagen van zwanen en andere zogenaamd schadelijke vogels? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
  13. Verjaging door middel van akoestische en visuele middelen blijkt in Utrecht evengoed te werken als afschot. Is het College hiervan op de hoogte? Zo nee, kunt u dit uitleggen, mede in het licht van uw antwoord op de vorige vraag? Zo ja, bent u bereidt deze methoden ook in Fryslân toe te gaan passen?

Partij voor de Dieren, Rinie van der Zanden

18 maart 2016

ANTWOORDEN:

Vraag 1:

Is er in Fryslân, voor zover ook bekend, sprake van dergelijke misstanden? Zo ja, welke maatregelen worden hiertegen genomen? Zo nee, hoe controleert u dit?

Antwoord vraag 1:

Nee, dergelijke misstanden komen in Fryslân, voor zover ons bekend, niet voor. De ge noemde ontheffing en beheer- en schadebestrijdingsregelingen staan afschot op de wijze die u beschrijft niet toe. Er wordt door de toezichthouders van de FUMO en de politie toezicht gehouden. Tijdens controles is geconstateerd dat de voorschriften verbonden aan de ontheffing en de wet worden nageleefd. De heer H.H. de Bruin heeft namens de Fbe tevens aangegeven dat de vertoonde beelden absoluut niet representatief zijn voor de gang van zaken bij afschot.

Vraag 2:

Zijn rapporten beschikbaar van controles? Zo ja, dan zou onze fractie hier graag een afschrift van ontvangen. Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 2:

Nee, deze rapporten zijn niet beschikbaar. Op het moment dat er overtredingen van de genoemde ontheffing en wettelijke bepalingen worden geconstateerd, wordt hier rapportage van gemaakt. Indien door de toezichthouders wordt geconstateerd dat er niet aan de ontheffing en wettelijke bepalingen wordt voldaan, wordt door de betreffende toezichthouder aan de Fbe opdracht gegeven de machtiging van de betreffende jager in te trekken. Omdat er bij de tot nu toe gehouden controles geen misstanden zijn geconstateerd, zijn er geen rapportages opgemaakt.

Vraag 3:

Hoe vaak wordt gecontroleerd op naleving van regels op het gebied van dierenwelzijn bij deze verjagingsacties? Welk percentage van de verjagingsacties vindt hierdoor onder(gedeeltelijk) toezicht plaats?

Antwoord vraag 3:

Op dit moment wordt er vijf á tien keer per jaar gecontroleerd. Bij de controles is er sprake van risicogericht toezicht. Omdat vanuit ervaringen uit het verleden is gebleken dat het risico op overtredingen bij deze verjagingsacties in Fryslân klein is, wordt er vijf â tien keer per jaargecontroleerd. In de periode 2014-2015 zijn er 111 machtigingen door de Fbe verleend. Uitgaande van vijf tot tien controles per jaar, ging het in die periode dus over ongeveer 4,5 - 9% van de verleende machtigingen.

Vraag 4:

Deelt u de mening dat het bejagen van dieren met hagelpatronen voor veel dierenleed zorgt, omdat hagelpatronen honderden metaaldelen bevatten die op dieren in volle beweging worden afgevuurd met als resultaat dat een groot aantal dieren wordt aangeschoten, om vervolgens een pijnlijke dood te sterven?

Antwoord vraag 4:

Nee, wij delen de mening dat jagen op knobbelzwanen met hagelpatronen voor veel dierenleed zorgt niet. De vraag is gebaseerd op de aanname dat er op een groot aantal dieren wordt geschoten. Op grond van de ontheffing mogen er maximaal twee knobbelzwanen per verjagingsactie worden gedood (voorschrift 11). Jagers schieten gericht op een enkele zwaan en niet op groepen. Bij een verjagingsactie kan zowel gebruik gemaakt worden vaneen hagelgeweer als ook van een kogelbuks. Het maximaal doden van twee zwanen per verjagingsactie sluit niet aan bij het geschetste beeld van het schieten op een groep.

Vraag 5:

Deelt u de mening dat dit vooral het geval is bij dieren zoals knobbelzwanen, die te groot zijn om door hagel dodelijk geraakt te worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 5:

Nee, wij delen deze mening niet. Zoals bij antwoord 4 vermeld, kan zowel het hagelgeweer als ook de kogelbuks gebruikt worden en mag er niet op groepen worden geschoten. Een weidelijk jager (i.e. een jager die gedragscodes voor jagers met respect voor dier en milieu in acht neemt) zal afhankelijk van de situatie beslissen welk soort geweer en welk soort patroon en kaliber het best past bij de verjagingsactie. Een goed gericht hagelschot is voor knobbelzwanen direct dodelijk. Daarnaast geven wij u mee dat het schieten met een hagelpatroon ook vanuit veiligheids overweging gedaan wordt. Een kogel kan tot op zeer grote afstand ook gevaarlijk zijn voor mensen en andere dieren in de omgeving. Bij het gebruik van hagelpatronen is dit gevaar veel kleiner.

Vraag 6:

Bent u bereid om het doden van dieren met hagelpatronen niet langer toe te staan? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 6:

Nee, hiertoe zijn wij niet bereid. Aangezien er niet geschoten wordt op groepen en het hagelpatroon onder de hierboven genoemde randvoorwaarden effectief is, ontbreekt naar onze mening de aanleiding om de ontheffing hier op aan te passen.

Vraag 7:

Zwanen zijn tamelijk grote dieren die, naar verwachting, nadat ze uit de lucht zijn geschoten, niet direct dood zijn. Hoe worden in Fryslân dieren die niet direct dood zijn, alsnog gedood?

Antwoord vraag 7:

Verjagingsacties worden gericht gehouden, waarbij individueel maximaal twee zwanen gedood kunnen worden. Wij gaan er vanuit dat de betreffende zwaan na het eerste schot dodelijk is geraakt. Is dit onverhoopt niet het geval, dan laat een weidelijk jager direct daarop een genadeschot volgen.

Vraag 8:

Welk percentage van de dieren die worden aangeschoten, is na de verjagingsactie nog in leven?

Antwoord vraag 8:

Uit de ervaring van de heer H.H. de Boer, namens de Fbe, blijkt dat in vrijwel 99% van de gevallen een aangeschoten dier direct dood is. In de uitzonderlijke gevallen dat dit niet gebeurt, laat de jager direct een “vangschot” (genadeschot) volgen. Dit past bij het eerdergenoemde kader van weidelijkheid: een jager dient lijden van het dier zo veel mogelijk te voorkómen. Voor het overige verwijzen wij u verder naar de antwoorden op vragen vijf, zes en zeven.

Vraag 9:

In de ontheffing spreekt u van “verjagingsactie”. Kunt u aangeven wanneer volgens u de ene verjagingsactie eindigt en de volgende begint?

Antwoord vraag 9:

In de ontheffing van 29januari 2015 is dit niet gedefinieerd. In de praktijk is er sprake van het einde van een verjagingsactie, als de te verjagen vogels zijn verdreven van het betreffende perceel. Bij opnieuw invallende dieren kan een nieuwe verjagingsactie ingezet worden.

Vraag 10:

In de ontheffing wordt gesproken over eerder genomen preventieve maatregelen. Kunt u aangeven welke maatregelen dat zijn, waar en hoe deze zijn getroffen en waarom deze naar uw mening niet afdoende werkten?

Antwoord vraag 10:

Het betreft hier preventieve maatregelen die getroffen moeten zijn volgens de Handreiking faunaschade. Hierbij worden als optische maatregel veelal stokken met plastic linten of plastic zakken of vlaggen geplaatst in het land met schadegewas. Als akoestische maatregel kunnen bijvoorbeeld gaskanonnen worden ingezet. Indien door de toezichthouders wordt geconstateerd dat er geen preventieve maatregelen zijn getroffen wordt door hen aan de Fbe opdracht gegeven de machtiging van de betreffende jager in te trekken. De ervaring in de praktijk is dat preventieve maatregelen afzonderlijk niet altijd even goed werken en dat zwanen zich hier in deze gevallen niet altijd aan storen. Een effectieve verjaagactie betekent dat er preventieve middelen op het land worden geplaatst en wanneer dit niet blijkt te werken er verjaagd wordt met ondersteunend afschot. Op die wijze ‘Ieren’ zwanen dat vlaggen gecombineerd kunnen gaan met afschot van een soortgenoot. In een volgend geval zullen de zwanen bij het zien van de preventieve middelen niet op dat land komen omdat ze dat associëren met afschot. Het is eerst aan de grondgebruiker (plaatsen preventieve middelen) en daarna aan de jager (ondersteunend afschot) om een dergelijke consequente verjagingsactie uit te voeren.

Vraag 11:

Is er, voor het verlenen van de ontheffing, ook gebruik gemaakt van deze, of andere, alternatieve verjaagmethoden? Zo nee, waarom heeft u dan toch ontheffing verleend? Zo ja, kunt u daar dan een toelichting op geven en wat zijn daarvan de resultaten?

Antwoord vraag 11:

Ja, pas als ten minste twee preventieve maatregelen (waarvan ten minste één visueel) ingezet zijn geweest en deze niet effectief zijn geweest, mag overgegaan worden tot verjaging) ondersteund met afschot (voorschrift 7). Alternatieve maatregelen (preventieve maatregelen) zijn aldus onlosmakelijk met afschot verbonden. Voor het overige verwijzen wij u verder naar het antwoord op vraag 10.

Vraag 12:

Houdt u actief bij wat de jongste ontwikkelingen zijn op het gebied van verjagen van zwanen en andere zogenaamd schadelijke vogels? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 12:

Ja. De toepasselijke handreikingen zoals de Handreiking Faunaschade van het Faunafonds worden gevolgd, en relevante vakliteratuur en andere uitgaven worden bijgehouden.

Vraag 13:

Verjaging door middel van akoestische en visuele middelen blijkt in Utrecht even goed te werken als afschot. Is het College hiervan op de hoogte? Zo nee, kunt u dit uitleggen, mede in het licht van uw antwoord op de vorige vraag? Zo ja, bent u bereid deze methoden ook in Fryslân toe te gaan passen?

Antwoord vraag 13:

Ja, onze ontheffing voorziet hierin. Er wordt in Fryslân ook gebruik gemaakt van akoestische en visuele middelen. In de ontheffing is aangegeven dat pas gebruik gemaakt mag worden van verjaging met behulp van afschot nadat is gebleken dat preventieve middelen onvoldoende werken. Ook in Utrecht geldt dat ondersteunend afschot als laatste maatregel ingezet kan worden, nadat minimaal twee preventieve maatregelen aantoonbaar zijn ingezet (uit de ontheffing van Provincie Utrecht d.d. 14 november 2014).

Hoogachtend,

Staten van Fryslân,